Een buurtschap met ’n verhaal

Na ons bezoek aan de vogelkijkhut volgden we de Zwartewaterkloosterweg in zuidelijke richting. Al snel reden we een kleine buurtschap in. Zwartewatersklooster (Google Maps) ligt op een verhoogde rug in het landschap, een oude oeverwal of rivierduin van het Zwarte Water tussen Hasselt en Zwartsluis. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat dit gebied waarschijnlijk al voor het begin van onze jaartelling bewoond was. Zodra we het plaatsnaambord gepasseerd waren, maakte de weg een bocht rond een kleine begraafplaats. We besloten eerst maar door te rijden, maar erg ver kwamen we niet …


Al snel kwamen we langs een oude boerderij uit 1860. Die moest toch wel even van dichtbij bekeken worden, en dus werd de auto in de berm geparkeerd. Deze en nog twee andere boerderijen zijn gebouwd uit de restanten van een klooster. Hoe dat zo gekomen is, is nog een heel verhaal …

In juli 1227 vond bij Ane (ongeveer 40 km ten oosten van Zwartewatersklooster) een veldslag plaats tussen een groot bisschoppelijk leger en een Drents leger van ridders en boeren. De Utrechtse bisschop Otto II van Lippe en meer dan 400 van zijn ridders en soldaten kwamen om het leven. Het verhaal gaat al eeuwen dat ca. 145 commandanten en ridders van dit leger in de nabijheid van Zwartewatersklooster zijn begraven. Het gehavende leger keerde terug vanuit Gramsbergen, achtervolgd door de Drenten. Omdat de lichamen niet in al te beste staat verkeerden, het was een hete zomer, werden ze waarschijnlijk op een rivierduin, bij wat later Zwartewatersklooster zou worden, begraven. De precieze plek is niet bekend. Maar dat het hier ergens is, staat op basis van verschillende oude kronieken vast …

Om te bidden voor het zielenheil van de omgekomen ridders werd in de jaren 1227-1233 een voorlopige voorziening getroffen. Mogelijk werd er een kleine kapel gebouwd voor een priester en een huis met enkele vrouwen uit de families van de gedode mannen. In 1233 bevestigde Wilbrand van Oldenburg als bisschop van Utrecht dit initiatief. Het werd een Benedictijner vrouwenklooster Mariënberg, met zo’n 20 zusters, onder leiding van een priorin. De eerste economische basis voor het klooster lag in de tienden (een belasting van 1/10 van de jaarlijkse opbrengst) die het kreeg uit 14 ‘hoeven in het veen’. Dat waren percelen van 120 meter breed, waarop kolonisten bezig waren met de veenontginning, het verbouwen van rogge en het houden van vee …

Toen de Staten van Overijssel in 1580 de Reformatie doorvoerden, werd het klooster gesloten en verhuisden de laatste 13 nonnen naar het Mariaconvent in Hasselt. De bezittingen werden nog tot de Franse tijd (1800) beheerd door provinciale rentmeesters. De gebouwen raakten langzaam in verval. Stukken ervan waren als woning en stallen verhuurd aan enkele boerenfamilies. Regelmatig werden er stenen en balken verkocht of meegenomen om elders mee te bouwen. De laatste restanten van het klooster werden in de jaren 1780-1800 gesloopt. In 1786 liet de rentmeester van bouwmateriaal van het klooster drie nieuwe boerderijen bouwen die nog steeds de kern van de buurtschap vormen …

– wordt vervolgd –