Nog ’n primeur: kraanvogels

We vervolgden onze weg om al snel weer een tussenstop te maken. Ditmaal stopten we bij het parkeerplaatsje waar Jetske en ik twee jaar geleden boomkikkers hebben gefotografeerd – toen ook al een primeur. Andries en ik struinden er woensdagochtend een tijdlang langs de bramenstruiken. Een boomkikker kregen we dit keer niet te zien, maar het uitzicht rondom was prachtig. De onderstaande foto komt uit mijn archief …

We waren nog maar net weer onderweg toen Andries vroeg: “Sjochtsto wat ik sjoch, Jan…?” Er stonden een paar auto’s in de berm en links van de weg keken mensen met camera’s het veld in. “Ik tink it wol, dat binne natuerleafhawwers dy’t wat bysûnders sjogge.” Dat gedrag herken ik wel, van het zoeken naar de grote vuurvlinder in de Weerribben en een koereiger bij Earnewâld. Zo’n groepje mensen betekent meestal dat er iets interessants te zien is. Andries draaide daarom vlot de berm in om te parkeren. Nadat we waren uitgestapt, zagen we in eerste instantie vooral ganzen …

Al snel verschenen er echter ook andere gedaanten in het struweel: kraanvogels – mijn eerste kraanvogels! Alweer een soort die op de rode lijst staat. De kraanvogel broedt sinds 2001 weer in het Fochteloërveen en maakte daarmee zijn comeback in Nederland als broedvogel, na eeuwen van afwezigheid. Inmiddels hebben ze ook andere gebieden ontdekt. Een groot succes voor natuurbeschermers. Kraanvogels broeden in uitgestrekte moerasbossen en hoogvenen, en hun vestiging in Nederland hangt samen met de groei van de Duitse broedpopulatie, die zich westwaarts uitbreidt …

Erg mooi zijn de foto’s niet geworden; daarvoor bleven de vogels te veel tussen het struweel door bewegen en was de afstand vrij groot. Maar hé, ze staan erop – en ik ben er blij mee! Dankzij het ritje met Andries weet ik nu in ieder geval waar ik op moet letten en waar ik ze mogelijk kan spotten, op verschillende plekken in en rond het gebied. Bijkomend voordeel: ik hoef er niet ver voor te lopen. Daarnaast wees Andries me nog op een herdenkingsplaats en enkele kleine kampen uit de Tweede Wereldoorlog. Kortom, de kans is groot dat ik binnenkort nog eens een rondje door die omgeving maak, want dit smaakt wel naar meer …

Met een blauwborst, een tapuit en mijn eerste kraanvogels was deze missie volledig geslaagd. Onder het genot van een broodje spraken we bij Andries thuis af om een volgende keer eens op pad te gaan in mijn regio.

In het Fochteloërveen

Een dag nadat ik mijn eerste roerdomp had gefotografeerd, hoopte ik stiekem op nóg een primeur. Met dat idee in mijn achterhoofd ging ik op pad met mijn oud-studiegenoot Andries, die me had uitgenodigd voor een rit langs en door het Fochteloërveen (kaartje OpenStreetMap).

Andries woont praktisch tegen het gebied aan. Voor hem is het dagelijkse kost om hier rond te struinen, altijd op zoek naar wat er zich laat zien. Als vogelaar is hij goed te vergelijken met mijn fotomaatje Jetske – iemand die nét even meer ziet, nét even eerder hoort. Dat beloofde wat …

Het Fochteloërveen zelf helpt daar ook een handje bij. Dit uitgestrekte Natura 2000-gebied van zo’n 2500 hectare, op de grens van Fryslân en Drenthe, is een van de laatste plekken in Nederland waar nog levend hoogveen voorkomt. Op sommige plekken ligt het veen nog metersdik. Het landschap oogt open en stil, maar schijn bedriegt, er leeft meer dan je in eerste instantie zou denken.

Volgens Andries is het gebied een paradijs voor reptielen, met alle drie de Nederlandse slangensoorten: de gladde slang, de adder en de ringslang. En alsof dat nog niet bijzonder genoeg is, komen hier in de zomer slangenarenden jagen. Ook kraanvogels en zelfs zeearenden broeden in het gebied …

Tijdens de rit, die door afwisselende landschappen voerde, diende zich na een tijdje het eerste succes zich al aan. Tussen het riet en de lage begroeiing lieten zich al snel twee soorten zien die voor mij allesbehalve vanzelfsprekend zijn: de blauwborst (foto linksonder) en de tapuit (foto 2 en 3 hieronder). Twee soorten die ik pas een paar keer eerder had kunnen vastleggen. De tapuit staat op de rode lijst als ‘bedreigd’, en nu zat hij daar gewoon. Het voelde alsof de dag nog maar net begonnen was, terwijl hij nu al niet meer stuk kon …

Na een eerste verkenning langs de noordkant van het gebied stuurden we via een zuidelijke lus richting de Bruustinger Plas (kaartje OpenStreetMap). Op zo’n honderd meter afstand lonkte een vogelkijkhut, maar we besloten lekker buiten te blijven …

– wordt vervolgd, want we waren nog op zoek naar een tweede primeur deze week …

Eindelijk: een roerdomp

Ik zat heerlijk in de zon, uit de wind, en wachten voelde allesbehalve als een straf. Misschien zou de bruine kiekendief zich nog eens laten zien boven het rietland. Uiteindelijk werd mijn geduld beloond… maar niet zoals verwacht …

Plotseling vloog er een vogel op uit het riet. Heel even dacht ik dat het opnieuw de bruine kiekendief was. Maar toen hij mijn kant op kwam en vlak langs me vloog, zag ik meteen aan de vleugels dat dit geen kiekendief kon zijn. Nieuwsgierig bekeek ik, zodra hij uit zicht was, de foto’s die ik had gemaakt …

Dit was geen bruine kiekendief. Dit was een roerdomp. En niet zomaar één – dit was mijn allereerste roerdomp, een absolute primeur.

Al meer dan twintig jaar hoor ik in het rietland die diepe, mysterieuze hoemp-toon. Vooral vanuit de vogelkijkhut bij De Leien heb ik er vaak naar staan speuren, altijd tevergeefs. De roerdomp is een meester in camouflage en gaat volledig op in zijn omgeving. Je moet echt geluk hebben om hem te zien. En nu vloog hij, totaal onverwacht, gewoon voor me langs …

Mijn dag kon niet meer stuk toen ik een uurtje later thuis de foto’s op de pc bekeek.

Een bruine kiekendief

Hoewel er een stevige en vooral koude noordoostenwind waaide, kreeg ik dinsdagochtend toch de drang om even aan de waterkant te kijken. Vanwege de windrichting leek het me geen goed idee om naar de Leijen te gaan. Daar zou de kou vrij spel hebben door de open deur die niet dicht kon. Daarom koos ik voor de Jan Durkspolder. Eenmaal daar bleek de wind nog oostelijker dan verwacht, waardoor het ook daar allesbehalve aangenaam was. Nadat ik enkele kuifeenden had gefotografeerd die zich dapper door de woelige golven sneden, besloot ik een beschutter plekje op te zoeken …

Niet veel later zat ik uit de wind en in de zon in de berm langs de Dominee Bolleman van der Veenweg, ten noorden van Earnewâld. Het voorste deel van het rietland was gemaaid, maar verderop stond nog een brede strook riet. Vanuit de auto had ik daar een bruine kiekendief zien landen …

Al snel verscheen hij weer. Hij maakte een rustige vlucht heen en weer over het riet, om vervolgens opnieuw te verdwijnen tussen de stengels. Het duurde lang voordat hij zich weer liet zien. Ik begon me af te vragen of hij daar misschien een nest had …

Ik besloot geduldig te blijven wachten tot hij zich opnieuw zou tonen …

Langs it Swynzerpaad

Aafje bleek al een stuk dichterbij te zijn dan ik had gedacht. Toen we elkaar tegenkwamen, stelde ik voor om samen nog even terug te lopen over het Swynzerpaad (kaartje OpenStreetMaps), dat slingerend door de natte weilanden gaat. Van mijn fotomaatje Jetske wist ik al: bij het hek ligt een brede greppel en een sloot waar eigenlijk altijd wel íets te zien is …

In de verte wees de kerktoren ons richting Easterlittens. Zo ver was Aafje dus niet gelopen, vertelde ze. Terwijl we daar stonden, waggelde er iets verderop een eend met zeven donkere, pluizige kuikens door het gras. Vanaf mijn lage standpunt zag ik ze ineens één voor één verdwijnen—alsof ze gewoon oplosten. Pas toen ik weer opstond, snapte ik het: ze waren in de greppel beland. Tijd voor hun eerste zwemles …

Achter ons kwamen ondertussen een paar zwanen rustig onze kant op drijven. Tegen de tijd dat ze dichtbij genoeg waren, zag ik al hoe laat het was: voorjaar in de kop. En niet alleen daar …

– maar goed, dat verhaal komt nog. Eerst de echte primeurtjes …

Met Aafje naar Skrok

Na mijn uitgebreide verslag over het trip naar het Lauwersmeer en het Wad, loop ik weer wat achter op dit moment. En dat is wel jammer, want ik heb de afgelopen week een paar mooie primeurtjes gehad. Zo zijn Aafje en ik weer eens een middagje samen op pad geweest. Laat ik daar maar mee beginnen …

Vorige week maakte ik samen met Aafje een ritje naar de vogelkijkhut Skrok (kaart OpenStreetMaps) bij Wommels. Dat is op zich al een soort van primeur. Eigenlijk wilde Aafje die middag gewoon een wandeling maken in onze eigen wijk, maar echt enthousiast was ze daar niet over. Daarom stelde ik voor om samen naar Skrok te rijden. Terwijl ik in de vogelkijkhut zou zitten, kon Aafje lekker haar eigen wandeling maken over een mooi pad door de weilanden richting Easterlittens. Bijkomend voordeel voor mij was dat Aafje dan terug zou kunnen rijden. Gelukkig zag ze dat wel zitten …

We begonnen samen in de hut, even rustig kijken. Daarna ging Aafje op pad en bleef ik achter in de hut bij de plas. Het was er opvallend rustig. Voor de grutto’s was ik te laat; die hadden zich al verspreid over de weilanden. Even voelde het alsof ik iets gemist had, maar dat duurde niet lang …

Er was namelijk nog genoeg te zien. In het ondiepe water scharrelden meerdere kluten rond. Ik blijf dat prachtige vogels vinden, dat strakke zwart-wit en die sierlijk omhoog gebogen snavel, het heeft iets elegants. Op het eilandje lagen kemphanen wat loom bij elkaar, alsof ze de tijd namen om gewoon even niets te doen. Aan de overkant was het juist levendig: tientallen oeverzwaluwen vlogen onafgebroken af en aan bij de wand. Daar kon ik me echt een tijdlang in verliezen …

Na een tijdje merkte ik dat het goed was zo. Het plaatje was wel compleet was. Net op het moment, toen ik de hut uitliep, zag ik Aafje alweer in de verte aankomen. Dat voelde bijna te mooi getimed. Ik pakte mijn wandelstokken en het viskrukje uit de auto en liep haar tegemoet, met het idee om elkaar in de buurt van het hek te treffen …

– wordt vervolgd

Dêr’t it lân de dyk omklammet

Aan het eind van de trap, boven op de kruin van de dijk bij Wierum, staan een informatiepaneel over de Waddenzee en een verrekijker die de passant geduldig van dienst zijn. Alsof ze daar al jaren staan te wachten tot iemand eindelijk eens écht goed komt kijken …

Bij die verrekijker hoort natuurlijk een opstapje voor de kleinere bezoekers. Op de zijkant staat al jaren de tekst: ‘Dêr’t it lân de dyk omklammet’. Vrij vertaald: waar de dijk het land omarmt, zoals een moeder haar kind. Een mooie gedachte – en eerlijk is eerlijk – als je daar zo staat, snap je precies wat ermee bedoeld wordt. De dijk ligt als een beschermende arm om het dorp heen, onverstoorbaar en geruststellend …

Door de verrekijker kun je eindeloos turen over de Waddenzee en het land achter de dijk. Maar ook zonder hulpmiddelen valt er genoeg te zien. Onderaan de dijk staat nog altijd de oude peilschaal, onverstoorbaar het waterpeil bijhoudend, alsof er nooit iets verandert. En als je iets verder kijkt – een beetje tegen beter weten in – zie je daar toch weer dat gaswinningsplatform Ameland-Westgat 1** opduiken. Elf kilometer verderop, maar nadrukkelijk aanwezig. Op de derde is te zien dat het nog veel dichter bij Ameland staat, gevaarlijk dicht bij de Waddenzee …

Toen we boven kwamen, was Jetske meteen doorgelopen naar de schapen die iets verderop op de dijk stonden te grazen. Die trokken zich er weinig van aan. Gras is gras, uitzicht of geen uitzicht. Terwijl ik nog één keer over de dijk uitkeek, zag ik haar alweer terugkomen …

Voor mij was het wel genoeg geweest. Het bankje, de wind, het uitzicht – het had allemaal z’n werk gedaan. Het was weer een mooie dag. Ik had de zee opgesnoven en de verte gezien. Meer is eigenlijk niet nodig …

** ik hoop binnenkort nog eens terug te komen op de gaswinning