Op 26 februari schreef ik hier dat meneer Merel zichzelf luid schetterend had benoemd tot buurtbaas. Zodra hij bij het voederhuisje neerstreek, zochten de mussen en de mezen een goed heenkomen in een van de omringende bomen of struiken.
In grote lijnen is dat nog steeds de situatie, totdat de Vlaamse gaai op luidruchtige wijze zijn intrede in ons tuintje doet om zich tegoed te doen aan de doppinda’s … Dan erkent meneer Merel daarin toch zijn meerdere en neemt hij samen met de andere vogels tijdelijk de wijk …
Vanuit weerkundig oogpunt maken we in deze eindeloos lijkende winter weer bijzondere dagen mee, zelden was het in deze tijd van het jaar zo koud. De combinatie van de harde oostenwind, de lage temperaturen en opspattend water levert op diverse plaatsen bijzondere beelden op. Ik geef het toe: het is mij momenteel te koud om erop uit te gaan met de camera, maar gelukkig heb ik nog een paar uitzonderlijke ijselijke plaatjes in mijn archief zitten, die vandaag gemaakt zouden kunnen zijn. In december 2008 trof ik in de zinken tobbe op het terras een vreemde, omhoog stekende ijspegel of stalagmiet aan, waar ik lang geen verklaring voor kon vinden. Onlangs ontdekte ik wat het is …
In de tobbe stond bij het invallen van de winter nog een laagje water. Dat water zet tijdens het bevriezingsproces uit. De dichtheid van water is bij ongeveer 4 graden boven nul het grootst. Water neemt dan het kleinste volume in en is dan het zwaarst. Zodra de temperatuur verder daalt, gaat de dichtheid omlaag en het volume omhoog. Vooral vanaf het vriespunt gaat de dichtheid duidelijker omlaag, wat veroorzaakt wordt door de schikking van de moleculen. IJs drijft dan ook op water. Maar ijs heeft ook meer volume, meer ruimte, nodig dan water. IJs zet uit. Bijzonder, want alle andere stoffen krimpen juist bij afkoeling …
De uitzetting van het ijs ten opzichte van het water leidt ertoe dat het aangroeiende ijslaagje meer ruimte inneemt en op het onderliggende, nog niet bevroren, water drukt. Ergens moet dat water heen. Meestal zal het ijslaagje op meerdere plekken nog erg zwak zijn en wordt het water her en der door wat gaatjes heen gedrukt of sijpelt langs de randen omhoog, waarna het snel bevriest. Soms zit er maar één zwakke plek in het ijslaagje. Bij het zwakste punt in het ijslaag blijft dan dus van onderaf water opborrelen. Naarmate de vorst langer aanhoudt, zal het aangroeiende ijslaagje steeds meer water aan de onderzijde weg drukken. Terwijl het water door het zwakke plekje glipt, bevriest het en wordt het van onderaf almaar verder omhoog geduwd. Langzaam maar zeker groeit de pegel zo opwaarts. En zo kun je af en toe verrast worden door een fraaie stalagmiet in bijvoorbeeld een vogelbakje of een tobbe …
Vandaag een jaar geleden kwam de maximumtemperatuur ’s middags uit op 17, 3 ºC. Van 20 t/m 25 maart kwam de gemiddelde maximumtemperatuur toen uit op 15,1ºC. Daar kunnen we nu alleen maar van dromen …
Op dit moment is de temperatuur in ons tuintje opgelopen tot 0,2 ºC, maar als gevolg van de gure oostenwind voelt het aan alsof het bijna 10 graden vriest. De gemiddelde maximumtemperatuur over de laatste vier dagen ligt nu op 1,7 ºC …
Voor de zoveelste keer sinds begin december ligt er een laagje ijs op de vijver, en dus lijken de vissen weer gevangen te zitten onder een glazen dak…
Ondanks de kou heb ik toch maar weer even de tijd genomen om wat foto’s te maken van de prachtige structuren op het ijs. Van afstand gezien lijkt het vaak een egaal gladde oppervlakte, maar van dichtbij gezien blijkt dat geenszins het geval te zijn. Door de structuren ontstaat er een soort gebroken spiegel, waar ik altijd erg van kan genieten … pure kunst …
Eigenlijk zou ik nog even naar de westkant van de Leijen moeten rijden, want door de harde oostelijke wind, de lage temperatuur en opspattend water zullen er aan lager wal vast mooie ijzige kunstwerkjes ontstaan, maar het is me toch echt te koud. Ik stel me tevreden met de ijzige maartse kunst in eigen tuin …
Nadat de beide grauwe ganzen uit zicht waren verdwenen, lag het bevroren petgat in De Deelen er weer stil en verlaten bij. Dat stelt mij in de gelegenheid om even een paar opmerkingen te maken over de halsband van een van de ganzen. Op de website van Vogelonderzoek Nederland Sovon is te lezen dat die banden al ruim 20 jaar worden gebruikt: “In Nederland zijn in de periode 1990-2009 op bijna 30 plaatsen in totaal ruim 2.500 Grauwe Ganzen met een halsband gemerkt. Al deze ganzen behoren tot de Nederlandse broedpopulatie. In de zestiger jaren was de Grauwe Gans in Nederland niet alleen een erg zeldzame, maar ook een welkome broedvogel. Plaatselijk werd de soort zelfs uitgezet in een poging een broedpopulatie te laten vestigen. Sinds de jaren zeventig is er sprake van een snelle toename van het aantal paren en in de afgelopen jaren is het zelfs één van de snelst toenemende broedvogelsoorten in Nederland.”
Ik heb begrepen, dat ervoor is gekozen om naast ringen om de poot ook halsbanden te gebruiken, omdat die vanaf grotere afstand beter af te lezen zijn dan de ringen om een poot. Het voordeel daarvan is, dat het ook voor leken als ondergetekende makkelijker is om waarnemingen door te geven. Voor de gans lijkt zo’n halsband me allerminst een aanwinst om jaloers op te zijn, maar er zal wel over nagedacht zijn, neem ik aan. Mijn waarneming van grauwe gans LCZ heb ik intussen ingevoerd op de website www.goosetrack.nl …
Terwijl ik daar wat op de oever van het bevroren petgat stond te mijmeren, zag ik na enige tijd vanuit een ooghoek dat gansje LCZ zich bij het boothuis opnieuw waggelend, schuifelend en glijdend op het dunne ijs waagde …
Plotseling hoorde ik een beschaafd, maar niet te missen ‘krak’ …
Dat was het sein om de camera maar even in de videomodus te zetten, zodat ik kon vastleggen hoe LCZ zich uit het wak werkte …
Uiteindelijk waggelden ze gezellig samen de vaste wal op.
Twee grauwe ganzen zochten een goed heenkomen, toen ik vorige week woensdag aan het begin van de middag uit de auto stapte op het parkeerterreintje bij De Deelen. Waggelend gingen ze op weg naar het dichtstbij gelegen petgat …
Na drie nachten met matige vorst lag er nog een laagje ijs op het petgat. Erg dik kon het niet zijn, maar hoewel het af en toe flink kraakte, leek het ijs toch sterk genoeg te zijn om de twee ganzen te kunnen dragen …
Kort tevoren was er een bui met een mengeling van hagel en natte sneeuw overgekomen, daardoor lieten de ganzen fraaie sporen achter in het matte en natte laagje deels gesmolten winterse neerslag …
Nadat ze een tijdje over het ijs hadden gescharreld, leek het koppeltje samen een tijdje te genieten van het uitzicht en de idyllische rust die op en rond het petgat heerste …
Terwijl één van de ganzen alweer op weg was naar de wal, bleef de ander nog enige tijd staan …
Maar uiteindelijk waggelde ook LCZ glibberend en glijdend weer terug in de richting van het boothuis …