Op die zonnige maandag 1 mei stapte ik rond tien uur ’s ochtends in de auto om een fotokuier te maken bij de Delleboersterheide. Daar ben ik in september 2006 al eens geweest, en dat liep toen maar net goed af. Mijn fotomaatje had me onlangs echter een kortere route ingefluisterd, en dit leek me een uitgelezen dag om te kijken of ik die kuier aan zou kunnen …
Nadat ik mijn wandeling was begonnen vanaf de parkeerplaats tussen het Diakonievene en de Delleboersterheide, kwam ik ongeveer halverwege het pad langs een schattig klein huisje met een enorme achtertuin. Je zult daar toch mogen wonen, midden in de natuur met op enkele honderden meters de dichtstbij zijnde landweg …
Nadat ik even halt had gehouden, vervolgde ik mijn weg. Al snel passeerde ik de borden van It Fryske Gea, dat viel me niet tegen. ‘So far so good,‘ zoals de Fransen plegen te zeggen …
En niet veel later bereikte ik ook het paadje naar de libellenvlonder in de Catspoele, zoals het ven heet. Dit moest het plekje zijn waar Jetske onlangs parende ringslangen wist vast te leggen …
‘Als je het over de duvel hebt, trap je hem op zijn staart,‘ hoor je wel eens. Wel, hier was dat in zeker zin ook het geval. Wie ik daar ook verwacht had, toch zeker mijn fotomaatje niet, want ik leefde in de veronderstelling dat zij aan het werk was in het ziekenhuis. Toch stond ze daar met zoekende blik op de vlonder. Toen ik probeerde haar op mijn beurt te verrassen met mijn komst, mislukte dat faliekant, want al na drie stappen kraakte het gaas op de vlonder onbehoorlijk luid onder mijn voeten …
Met het oog op de Nationale Dodenherdenking op 4 mei hebben mijn fotomaatje Jetske en ik in april een bezoek gebracht aan het monument en de restanten het strafkamp ‘It Petgat’ bij Blesdijke, op de grens van Fryslân en Overijssel. Het kamp, dat door de Nederlandse regering van origine was aangelegd in het kader van de werkverschaffing, lag in een moerassig gebied vlak bij het riviertje De Linde. Vanaf de weg loopt een lang zandpad naar het kamp …
Aan de Nijksweg (Google Maps) staat nu een monument, bestaande uit twee palen, die lijken op te rijzen uit een Davidster van straatstenen. Tussen de palen hangt een glazen plaat waar prikkeldraad en een gedicht van Jacqueline van der Waals en de geschiedenis van het kamp in gegraveerd zijn:
‘GEEF MIJ DE MOED OM ONRECHT TE ONDERKENNEN OOK WAAR ‘T DOOR EEUWEN VAN GEBRUIK GEWETTIGD WORDT, DE VASTE WIL AAN ONRECHT NOOIT TE WENNEN, OOK WAAR DE MACHT, HET WEG TE NEMEN, SCHORT.’
‘VANAF BEGIN 1942 -TIJDENS DE TWEEDE WERELDOORLOG- WERDEN JOODSE LANDGENOTEN IN WERKKAMPEN ONDERGEBRACHT OM DWANGARBEID TE VERRICHTEN. OP 2 OKTOBER VAN DATZELFDE JAAR WERDEN ZIJ ALLEN NAAR KAMP WESTERBORK EN VAN DAAR NAAR DUITSE VERNIETIGINGSKAMPEN GEDEPORTEERD. SLECHTS WEINIGEN KEERDEN TERUG.’
Aan de voet van de palen staan een paar klompen, geflankeerd door een paar beschilderde kiezelstenen …
Aan het begin van het 400 meter lange pad naar het kamp staat een bord met daarop een foto van de onthulling van het monument door Sjaak Stibbe in 2003. Stibbe was één van de weinige inwoners van het kamp die niet in de gaskamers zijn geëindigd …
Het was een flinke kuier, maar we bereikten het kamp (Google Maps) toch nog vrij gemakkelijk. Van het kamp is overigens niet veel meer over dan de resten van de fundamenten, waarop de barakken en andere bouwwerken rustten. Het is een wonder dat deze restanten de ruilverkaveling overleefd hebben, maar geen enkele boer zag er brood in om de fundamenten uit de bodem te halen om het daarna bij zijn land te trekken. We hebben er een tijdlang stilletjes rond gestapt …
De bezetter maakte gebruik van een infrastructuur die er al lag. In de jaren dertig had de Nederlandse regering kampen laten bouwen in het kader van de werkverschaffing. Om ophef te voorkomen, deed de bezetter er alles aan om het samendrijven van joodse mannen op iets soortgelijks te laten lijken. De mannen moesten heide omspitten of wegen aanleggen onder leiding van dezelfde organisatie als voor de oorlog: de Rijksdienst voor de Werkverruiming. Het toezicht op het werk was in handen van de Nederlandsche Heidemaatschappij en ook in het kamp zelf hadden Nederlanders het voor het zeggen. Er werd voor het kamp extra bewaking ingesteld. Een groep Nederlandse mariniers en marechaussees nam die taak op zich. De leiding van het kamp kwam op 10 juni 1942 in handen van sergeant marinier Christiaan Overweg …
Er verbleven 150-200 gestrafte joodse dwangarbeiders tussen 18 en 65 jaar in het kamp. Sjaak Stibbe behoorde tot de eerste gestraften. Wegens het nemen van ongeoorloofd verlof werd hij na terugkeer door de commandant van Kamp Kremboong in Drenthe naar It Petgat gestuurd. “De ontvangst in Blesdijke was strenger dan in Kremboong. Commandant Overweg begon meteen dreigen. Als we nou weer de benen namen, kwamen we in Ommen of Amersfoort terecht en dan was het met ons gebeurd,” vertelde Stibbe later. “En er was meer intimidatie. Op de zondag daarna gaven de wachten een demonstratie met de honden. De demonstratie vond plaats op een veldje in het kamp. De mannen hadden leren handschoenen aan en dan die honden maar bijten. Het boezemde ontzag in. Dat was ook de bedoeling …”
Het Blesdijker werkkamp heeft maar vier maanden bestaan. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 (tijdens Jom Kipoer) moesten de mannen van alle vijftig kampen – veelal gelegen op afgelegen plekken in het noorden en oosten van ons land – halsoverkop weg. Op hetzelfde moment werden hun vrouwen en kinderen uit huis gehaald. Zo belandden in één nacht ruim tienduizend joden in Westerbork. Volgens Duitse voorlichting was het doel hiervan om de gezinnen weer te herenigen. Vervolgens werden zij omgebracht in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor …
Ik sluit het beeldverslag van ons bezoek aan Strafkamp ‘It Petgat’ af met een foto die op één van de infopanelen in het voormalig kamp staat. We zien 14 jonge mannen, lachend staan en zitten ze voor een kampbarak, alsof ze op een reisje of op vakantie zijn. Ze lijken geen idee te hebben wat hen boven het hoofd hangt …
Eind april heb ik op een vrij donkere en kille dag weer eens een ritje door de omgeving gemaakt. Eerst heb ik even een kijkje genomen in de vogelkijkhut ‘de Blaustirns’ bij de Leijen. Daar blies de wind zo venijnig naar binnen, dat ik vrijwel meteen weer rechtsomkeert heb gemaakt. Daarna ben ik even doorgereden naar de vogelkijkhut in de Jan Durkspolder. Daar was de situatie niet veel beter, het voordeel was dat de luiken aan de windzijde waren gesloten, maar aan de lijzijde was er geen vogel te zien. Daar was ik dus ook snel uitgekeken …
uitzicht over de Leijenuitzicht over de Jan Durkspolder
Het gevolg was dat ik al snel weer in de auto zat. Met de kachel op ‘standje hoog’ om weer wat op te warmen, reed ik met een omweg huiswaarts. Onderweg werd mijn dag in fotografische zin alsnog goedgemaakt, omdat ik een sprong reeën tussen de pinksterbloemen trof …
Zodra ik ze zag, heb ik de auto rustig laten uitrollen in de berm. Nadat ik het raampje naar beneden laten glijden, kon het genieten die dag echt beginnen. Vooral deze kleine kluwen van vier reeën vond ik erg leuk ..
Vandaag, 30 april is uitgeroepen tot ‘Dag van de Paardenbloem’. Daarom breng ik vandaag een ode aan de hynsteblom, oftewel de paardenbloem, zoals hij elders in den lande wordt genoemd. Wist je dat er alleen in Nederland al meer dan 1000 soorten paardenbloemen voorkomen!? Een bloeiend weiland schijnt al snel zo’n 50-60 soorten te bevatten, en ook in een gewone tuin komen vaak meerdere soorten voor. De onderstaande exemplaren heb ik onze tuin gefotografeerd. Omdat ik het mooie, maar zwaar ondergewaardeerde bloemen vind, mogen ze hier blijven staan …
Paardenbloemen zijn geen onkruid, maar mooie en nuttige bloemen. De paardenbloem is eigenlijk nummer één voor insecten. Ook voor de grutto en andere weidevogels is het daarom een erg belangrijke bloem. Als kuikens uit hun ei komen, moeten ze dagelijks duizenden insecten eten. Paardenbloemen zijn dan een bron van voedsel, alleen zijn ze uit helaas veel weilanden verdwenen …
Maar dat is niet het enige nut van de bloem. Hij kan ook nog worden gebruikt voor honing en thee. En van een bepaalde soort paardenbloem kan zelfs rubber worden gemaakt, die uiteindelijk terechtkomt in auto- en fietsbanden. Er wordt hard gewerkt aan het weken van zoveel mogelijk rubber in de paardenbloemen. Maar afgezien daarvan, ze kleuren in het voorjaar het Friese weidelandschap hier en daar zo prachtig geel. Dat zijn gezonde weilanden, terwijl op zwaar bemeste weilanden met alleen Engels raaigras geen bloem meer wil bloeien … ;-(
Ik sluit deze serie over Zwartewatersklooster af met een paar foto’s van een oeroude knotwilg, die tegenover de eerste boerderij uit 1860 staat. Er staat een foeilelijke transformatorkast naast om te laten zien hoe oud en nieuw elkaar ontmoeten in het pittoreske Zwartewatersklooster …
Hier en daar een foto makend, liepen we de buurtschap verder in. Behalve drie boerderijen staan er nog een paar huizen en losse schuren langs de straat. Het is moeilijk voor te stellen dat Zwartewatersklooster van 1233 tot 1590 een religieus centrum van betekenis was. Er woonden naar schatting tussen de 25 en dertig nonnen, maar ook timmerlieden, bierbrouwers en allerlei andere lieden die je in een dorpsgemeenschap vindt. Al met al woonden er in en rondom het complex rond de honderd personen. Tegenwoordig is dat nog maar een handjevol …
Eén van de tegenwoordige inwoners van Zwartewatersklooster is Johannes ten Klooster. Ten Klooster is geboren en getogen in de buurtschap en zijn familie heeft waarschijnlijk in het klooster gewoond. We troffen Ten Klooster toen we stonden te fotograferen bij zijn huis, terwijl hij in de tuin bezig was …
We groetten hem vriendelijk, waarna hij naar ons toe scharrelde. We vertelden hoe we hier terecht waren gekomen en staken onze bewondering voor de mooie oude boerderijen niet onder stoelen of banken. Met zijn schoffel naar de linde voor zijn huis wijzend, vertelde hij lachend over de schade aan zijn boom, die geregeld wordt geschampt door passerende voertuigen …
‘Deze boerderij is gebouwd in 1860, en hij is al vanaf het begin in de familie geweest. Je kunt op verschillende plaatsen in de muren nog originele stenen van het oude klooster zien. Eigenlijk woon ik nog steeds een beetje in het klooster’, vertelde Johannes. Hij vervolgde trots: ‘op onze begraafplaats worden al 785 jaar doden begraven. Er worden alleen mensen begraven die in een huis wonen, dat oorspronkelijk bij het klooster hoorde. Niemand heeft verder iets over die begraafplaats te vertellen, ook de gemeente niet. Wij gaan over onze eigen begraafplaats …’
Omdat het stilstaan na enige tijd niet alleen mij, maar ogenschijnlijk ook Ten Klooster moeite begon te kosten, namen we afscheid van deze vriendelijke verteller …
Terwijl ik later ter voorbereiding van deze blogserie informatie over Zwartewatersklooster verzamelde, kwam ik o.a. het onderstaande filmpje van RTV Oost uit april 2016 tegen. Tijdens de nog steeds voortgaande zoektocht naar de graven van de ridders doet Johannes ten Klooster bij zijn huis en op de begraafplaats ongeveer hetzelfde verhaal, dat hij ons vorige week vertelde …
En wil je nu nog meer mooie verhalen over deze parel van plattelandshistorie lezen, dan kan ik het volgende artikel aanbevelen. Hierin komt Johannes zijn broer Berend ten Hoor aan het woord: “Zwartewatersklooster is rustig, houen zo”
Na ons bezoek aan de vogelkijkhut volgden we de Zwartewaterkloosterweg in zuidelijke richting. Al snel reden we een kleine buurtschap in. Zwartewatersklooster (Google Maps) ligt op een verhoogde rug in het landschap, een oude oeverwal of rivierduin van het Zwarte Water tussen Hasselt en Zwartsluis. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat dit gebied waarschijnlijk al voor het begin van onze jaartelling bewoond was. Zodra we het plaatsnaambord gepasseerd waren, maakte de weg een bocht rond een kleine begraafplaats. We besloten eerst maar door te rijden, maar erg ver kwamen we niet …
Al snel kwamen we langs een oude boerderij uit 1860. Die moest toch wel even van dichtbij bekeken worden, en dus werd de auto in de berm geparkeerd. Deze en nog twee andere boerderijen zijn gebouwd uit de restanten van een klooster. Hoe dat zo gekomen is, is nog een heel verhaal …
In juli 1227 vond bij Ane (ongeveer 40 km ten oosten van Zwartewatersklooster) een veldslag plaats tussen een groot bisschoppelijk leger en een Drents leger van ridders en boeren. De Utrechtse bisschop Otto II van Lippe en meer dan 400 van zijn ridders en soldaten kwamen om het leven. Het verhaal gaat al eeuwen dat ca. 145 commandanten en ridders van dit leger in de nabijheid van Zwartewatersklooster zijn begraven. Het gehavende leger keerde terug vanuit Gramsbergen, achtervolgd door de Drenten. Omdat de lichamen niet in al te beste staat verkeerden, het was een hete zomer, werden ze waarschijnlijk op een rivierduin, bij wat later Zwartewatersklooster zou worden, begraven. De precieze plek is niet bekend. Maar dat het hier ergens is, staat op basis van verschillende oude kronieken vast …
Om te bidden voor het zielenheil van de omgekomen ridders werd in de jaren 1227-1233 een voorlopige voorziening getroffen. Mogelijk werd er een kleine kapel gebouwd voor een priester en een huis met enkele vrouwen uit de families van de gedode mannen. In 1233 bevestigde Wilbrand van Oldenburg als bisschop van Utrecht dit initiatief. Het werd een Benedictijner vrouwenklooster Mariënberg, met zo’n 20 zusters, onder leiding van een priorin. De eerste economische basis voor het klooster lag in de tienden (een belasting van 1/10 van de jaarlijkse opbrengst) die het kreeg uit 14 ‘hoeven in het veen’. Dat waren percelen van 120 meter breed, waarop kolonisten bezig waren met de veenontginning, het verbouwen van rogge en het houden van vee …
Toen de Staten van Overijssel in 1580 de Reformatie doorvoerden, werd het klooster gesloten en verhuisden de laatste 13 nonnen naar het Mariaconvent in Hasselt. De bezittingen werden nog tot de Franse tijd (1800) beheerd door provinciale rentmeesters. De gebouwen raakten langzaam in verval. Stukken ervan waren als woning en stallen verhuurd aan enkele boerenfamilies. Regelmatig werden er stenen en balken verkocht of meegenomen om elders mee te bouwen. De laatste restanten van het klooster werden in de jaren 1780-1800 gesloopt. In 1786 liet de rentmeester van bouwmateriaal van het klooster drie nieuwe boerderijen bouwen die nog steeds de kern van de buurtschap vormen …