In de Catspoolder

In 2009 is de Catspoolder ingericht als natuurgebied en is de bemaling stopgezet. Het waterpeil gaat er nu op en neer met dat van het riviertje de Lende, dat er langs loopt. De polder dient nu ook als waterberging. In de zomer wordt het gebied losgekoppeld van de Lende, waardoor het waterpeil zakt en de grond deels kan indrogen. Om de vallei nat te houden, is een ingenieus systeem van sloten, stuwen en kleppen uitgedacht dat moet voorkomen dat het gebied helemaal verdroogt. Het gebied trekt vooral water- en moerasvogels …


Hoe mooi een vogelkijkhut ook is, het gaat erom wat je er te zien kunt krijgen. En dat valt bij de ‘Catskieker’ niet tegen. Je hebt er een mooi uitzicht over een flinke plas. Recht voor de hut staat een rijtje dode bomen en boomstronken. In de top van de hoogste boom zat een gestaag toenemend aantal aalscholvers te vergaderen. Op een strookje droge grond scheef voor de hut zaten vogels van diverse pluimage, waaronder meeuwen, kieviten, verschillende ganzen en ook hier enkele aalscholvers. Het was allemaal niet spectaculair, maar we hebben ons er bij heerlijk najaarsweer een uurtje prima vermaakt …

Bij de Catskieker

Na ons bezoek aan de ‘Wolvenroep’ stelde ik voor om naar een bepaalde vogelkijkhut te gaan die mijn fotomaatje al eens op haar blog had getoond, en waarvan ik wist dat hij ergens hier in de Lendevallei moest staan. Jetske wist meteen dat ik de vogelkijkhut de ‘Catskieker’ in de Catspoolder (Google Maps) bedoelde. Na een ritje van amper 10 minuten waren we ter plekke …


Daarna volgden nog een korte kuier en de beklimming van een dijklichaam dat het wandelpad scheidde aan de waterkant. Ook hier had Jetske weer een juiste inschatting van de loopafstand gemaakt, zodat we al snel de vogelkijkhut de ‘Catskieker’ betreden. Het belangrijkste deel is een ronde, deels open hut van cortenstaal met daarnaast en deels ervoor een eenvoudig scherm …


De Catspoolder was dankzij de vervening in de 18 en 19e eeuw ooit een petgatengebied. In de twintiger jaren van de vorige eeuw is het gebied geschikt gemaakt voor de landbouw. Om de polder droog te houden voor de landbouw, moest hij sterk worden bemalen …

  • wordt vervolgd

Tussen mist en molshopen

Via de Alle om Slachte en het Nonnepaed – meest gebruikelijke route – zette ik koers naar huis. Nog voordat ik aan de splitsing van beide wegen toe was, was er een witte vlek in de mist te zien …

Nadat ik rechtsaf geslagen was, kreeg ik de grote zilverreiger beter in beeld. Op één poot stond hij fier rechtop tussen hekkelafval langs de sloot en molshopen in de verte …

Een zuchtje wind liet zijn kuifje af en toe zachtjes heen en weer dansen, verder was er geen beweging waarneembaar …

Vissende zilverreiger gevangen

De blauwe reiger, die ik hier gisteren heb getoond, bleef me te lang twijfelen voordat hij in actie kwam. Daarom startte ik de auto om achter de grote zilverreiger aan te gaan, die me eerder was ontsnapt. Stapvoets reed ik zo’n 100 meter in westelijke richting. Daar kon ik een eerste foto van de gracieuze schoonheid maken …

Na die ene foto was het ook snel uit met de pret. Hij was nog onderweg naar de sloot. Daar aangekomen, stapte hij kordaat de diepte in. Mooi voor hem natuurlijk, maar ik kon er niks mee …

Er restte me niets anders dan nog eens pakweg 100 meter verder te rijden. Daar vandaan kon ik nog net één acceptabele foto van de zilverreiger maken. Daarna verdween hij onderweg naar de overkant van de sloot achter een wirwar van takken en twijgjes van een overhangende struik …

Hij wist wel hoe hij me bezig moest houden. Om kans te maken op meer foto’s dwong hij me ditmaal zo’n 50 meter achteruit te rijden. En dat met de huidige brandstofprijzen … Enfin, al snel kreeg ik weer zicht op de grote zilverreiger en deze keer kon ik hem een tijdje observeren en fotograferen. Hij liet zijn scherpe snavel enkele keren het water in schieten, maar ik heb niet de indruk dat hij echt wat heeft gevangen. Mijn vangst was tegen lunchtijd mooier en groter dan de zijne, schat ik zo in …

Vier windstreken rond de hut

Vanaf It Nonnepaed ben ik naar de Jan Durkspolder gereden. Toen ik daar even later in de vogelkijkhut ging zitten, dreef de eerder gemelde bui, aan de zuidkant van de plas voorbij …

Aan de oostkant maakte mijn vriend de grote zilverreiger, die ik hier onlangs ook al eens aantrof, een wandeling langs de rand van zijn revier. Ik was zelf wel gecharmeerd van het gelaagde decor waarin hij zich bevond …

Het buitje – meer was het in feite niet – dreef intussen rustig over de zuidelijke oever van de plas in westelijke richting voort, vage weerspiegelingen met zich meetrekkend …

Aan de westkant van de hut heerste intussen volmaakte rust. Zelfs dat ene rietpluimpje stond tegen een vrijwel vlakke waterspiegel roerloos naast de hut …

Na een laatste blik op de bui aan de zuidkant, hield ik het voor gezien. Over het met knotwilgen omgeven pad liep ik aan de noordkant van de hut terug naar de auto …

Een grijze vogeldag in de polder

Het was grijs en donker in de Jan Durkspolder. Maar een mens moet af en toe wat, daarom heb ik toch maar even een kuiertje naar de vogelkijkhut gemaakt …

Vlak nadat ik er was gaan zitten, vloog er aan de andere kant van het water een grote zilverreiger op …

Korte tijd later dobberden er twee slobberende slobeenden voorbij …

De laatste waarneming was dat er vijf grauwe ganzen in het water neerstreken …

Had ik in korte tijd toch maar weer acht vogels gekiekt, die zich in onze tuin nooit laten zien … Op naar de koffie!

Over turf en meer

Op de terugweg hebben we nog twee tussenstops gemaakt. Om te beginnen trakteerde Nils op een terras bij Vierhuis op koffie met appelgebak. Daarna reden we door naar Rotsterhaule, waar we even een zijsprongetje namen naar het natuurgebied het Easterskar. Net als veel andere natuurgebieden heeft het Easterskar zijn ontstaan te danken aan de turfwinning …

Het had niet veel gescheeld of natuurgebied het Easterskar had niet bestaan. In het kader van werkloosheidsbestrijding werd begin vorige eeuw namelijk veel ‘natuur’ ontgonnen voor de landbouw. Omstreeks 1960 stond het Easterskar op de planning om op de schop te gaan. De groeiende industrialisatie hield het project echter tegen. Het naastgelegen Westerskar was wel al ontgonnen, maar het Easterskar en haar domein van bijzondere planten, vogels, vlinders, reptielen en amfibieën bleef gespaard en werd eigendom van de provinciale vereniging voor natuurbescherming ‘It Fryske Gea’

Ik besloot dit zijsprongetje te maken, omdat we onderweg langs de geboorteplek van mijn moeder kwamen. Pake verdiende zijn brood als landarbeider in en rond het Easterskar. Mem kwam als zevende kind op de wereld in het kleine huisje op de foto hieronder. Zo’n groot gezin in zo’n klein huisje, daar kunnen we ons vandaag niets meer bij voorstellen. Op de rechter foto zie je het gezin nog voordat mijn moeder werd geboren.

Wij waren intussen aangekomen in de vogelkijkhut ‘Skiere Goes’ (‘grauwe gans’ voor niet-Friestaligen) in het natuurgebied. Rondom de hut was het rustig, in de verte dreef een aantal zwanen op het water en vloog een grote zilverreiger op …

Op het moment dat wij de hut betraden waren twee vogelaars met luide stem bezig om een derde vogelaar uit te leggen welke instellingen hij met zijn camera, met daarop een joekel van een zoomlens, het best kon gebruiken. De man bleef echter hardnekkig tegenstribbelen. Nils en Tijmen zagen de humor er wel van in. Pepijn begreep er niets van, vooral omdat ik net voordien had verteld dat je in een vogelkijkhut wat stil hoort te zijn om de vogels niet te verjagen. Toen hij erbij ging liggen, leek het mij de hoogste tijd om huiswaarts te keren …