Op zoek naar Bote’s gruttoland

Tegen het einde van een toch al mooie dag had ik nog één wens. Het lag niet bepaald op de route naar huis, maar ik wilde nog graag het gruttoland van boer Bote zien te vinden. Alleen: waar begin je zo’n zoektocht? Ik wist niet veel meer dan dat hij ergens in de buurt van Tjerkwerd moest wonen, en dat er een grote grutto van cortenstaal in een van zijn weilanden zou staan.

In Tjerkwerd hielden we een paar wandelaars staande. Misschien konden zij ons verder helpen. ‘No jimme treffe it, ik bin Bote syn sweager,’ antwoordde een van hen. ‘Jimme moatte in lyts stikje werom ride, dêrnei twa kear nei links en dan oer de brêge fuortendaliks nei rjochts, oer in smel kronkeldykje …’

Het smalle weggetje bracht ons uiteindelijk bij drie boerderijen. Behalve wat jongvee was er weinig leven te bespeuren. En van een grote grutto van cortenstaal? Geen spoor. Op dat moment bedacht ik me dat ik misschien beter naar Bote’s grutto had kunnen vragen dan naar zijn boerderij.

Er zat niets anders op dan terug te keren naar de doorgaande weg. We hadden nog maar net besloten om dan maar een stukje zuidwaarts over de N359 te rijden, toen het ineens gebeurde. Daar, midden in het land, stond hij — de grote grutto. Alsof hij al die tijd al op ons had staan wachten …

– Wie boer Bote is …? Dat zal ik hier morgen haarfijn uit de doeken doen …

De Ald Toer fan Easterwierrum

Van de vogelkijkhut Skrok zetten we koers naar onze volgende bestemming. Daarover had Jetske een tip gekregen: de Ald Toer van Easterwierrum zou zeer de moeite waard zijn om te fotograferen — zeker in de tijd dat de paardenbloemen bloeien. En eerlijk is eerlijk: nog voordat we goed en wel waren uitgestapt, zagen we al dat de tipgever niets te veel had gezegd. Het weiland lag als een zachtgeel golvend tapijt om de terp heen, de eerste bloeiende paardenbloemen licht deinend in een frisse voorjaarsbries. Een voorzichtig zonnestraaltje had het geheel misschien nog nét wat extra glans gegeven, maar ook zonder dat was het een prachtig, bijna verstild beeld …

Easterwierrum is een terpdorp dat al in de vroege middeleeuwen ontstond, bij wat nu de buurtschap Tsjerkebuorren is (kaartje OpenStreetMap). Destijds lag het aan de Middelzee, een gunstige plek voor handel. In de loop van de 18e eeuw schoof het dorp langzaam op naar het zuiden. Wat achterbleef, is een stille herinnering aan die tijd: een eenzame toren op een terp — de Ald Toer. Het huidige Easterwierrum ligt tegenwoordig zo’n 600 meter verderop …

De buurtschap zelf stelt niet veel meer voor dan een paar boerderijen. De toren en het kerkhof liggen er wat verlaten bij, midden in het weidse landschap, op de ommuurde restanten van de afgegraven terp. Een krans van essen leek het geheel als het ware zacht ruisend te omarmen. De kerkhofmuur werd in 1985 vernieuwd …

De toren zelf, die teruggaat tot de 13e of 14e eeuw, is deels gebouwd van gele kloostermoppen. Een gevelsteen vertelt dat er in 1589 al herstelwerkzaamheden nodig waren — ook toen was onderhoud blijkbaar geen overbodige luxe. In 1776 kreeg de toren een moderner uiterlijk: het oorspronkelijke romaanse zadeldak maakte plaats voor de huidige spits met leisteen, een verandering die je in het noorden vaker ziet. De kerk die ooit bij de toren hoorde, werd in 1902 afgebroken. De laatste restauratie van de toren vond plaats in 2006 …

Fryslân kent meer van dit soort eenzame torens die als bakens in het landschap staan. De torens van Eagum, Firdgum en Miedum had ik al eerder vastgelegd. De Ald Toer van Easterwierrum vormt een mooie — en eigenlijk onmisbare — aanvulling op dat rijtje …

Langs een broedende meerkoet

Op weg naar de vogelkijkhut bij Skrok had ik gezien, dat er aan de overkant van de sloot langs het Swynzerpaad een meerkoet op een nest zat, Toen we er op de terugweg weer langs kwamen, vroeg ik Jetske om er even voorzichtig te stoppen …

De auto stond nog maar nauwelijks stil of de meerkoet ging er als een speer vandoor. Ik had van een anders zo felle meerkoet eerlijk gezegd wel wat meer vechtgedrag dan vluchtgedrag verwacht. Dat zat er echter niet in. Omdat de eieren nu onbeschermd en afkoelend in het nest lagen, zijn we meteen na het maken van deze foto’s doorgereden naar onze volgende bestemming …

Even langs Skrok

Na de mummies van Wiuwert en de gesloten deur in Boazum hadden we onze dosis mysterie, religie en cultuur voorlopig wel even wel gehad. Tijd om het vizier weer op de natuur te richten, op zoek naar weidevogels. Het weer leek dat plan te ondersteunen, de zon brak door en legde een warme gloed over het Friese land …

De vogelkijkhut bij Skrok is dan een logisch beginpunt. Toen we een kwartiertje later in de hut stonden, zagen we dat het rond de plas opvallend rustig was. De meeste vogels hadden de openheid van het water inmiddels verruild voor de beschutting van de sappige weilanden in de omgeving.

Toch was er genoeg beweging om het oog te blijven prikkelen. Oeverzwaluwen schoten onafgebroken heen en weer langs de zwaluwenwand aan de overzijde, als kleine, nerveuze pijltjes in de lucht. Op het water zelf hield het gezelschap zich bescheiden: een groepje kemphanen en hier en daar een paar statige kluten, die met hun elegante vormen het stille toneel toch iets bijzonders gaven …

Na verloop van tijd hadden we alles wat zich liet zien wel in beeld gevangen. Het was niet de rijkdom aan soorten die we hier wel eens hadden meegemaakt, maar dat deed weinig af aan het moment. De kluten en kemphanen alleen al maakten de tocht de moeite waard. Rond Drachten zijn ze al lang meer te zien. Soms is er niet veel nodig om tevreden te zijn — een kinderhand is dan inderdaad snel gevuld …

Terug in Wiuwert

Vorig jaar maart reden Jetske en ik langs het Friese dorpje Wiuwert, op zoek naar weidevogels. Toen bleek dat Jetske de mummies in de Nicolaaskerk nog nooit had gezien, stelde ik voor om daar even te stoppen. We kwamen echter op de bonnefooi, en de kerkdeur bleef die dag gesloten. We spraken af om later nog eens terug te komen.

In de tussentijd ontdekte Jetske dat een van haar collega’s wel eens rondleidingen gaf in de kerk. Een mooie ingang, vonden we, om het bezoek een volgende keer beter te plannen …

En zo stapten we vorige week vrijdag rond half twaalf alsnog binnen. Voor een rondleiding waren we nog wat vroeg, vertelde de koster. Hij had op dat moment bezoek, maar we mochten gerust zelf wat rondkijken. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen.

We vonden er zelfs de sleutel van het Noormannenpoortje, dat op de foto hieronder dichtgemetseld te zien is. En natuurlijk gingen we naar de grafkelder, die achter het rooster linksonder te zien is – stil bewaard – alsof de tijd hier een andere maat hanteert …

De Nicolaaskerk dateert uit omstreeks 1200. Het is een eenbeukig bakstenen gebouw waarvan de rondbogige vensters aan de noordzijde verraden dat de oorsprong in de 12e of 13e eeuw ligt. Later werden van de rondbogen spitsbogen gemaakt en werden de zuid- en oostmuur opnieuw opgebouwd. De kerk kreeg vooral bekendheid door de mummies die er in de 17e eeuw werden aangetroffen …

morgen meer …

Dêr’t it lân de dyk omklammet

Aan het eind van de trap, boven op de kruin van de dijk bij Wierum, staan een informatiepaneel over de Waddenzee en een verrekijker die de passant geduldig van dienst zijn. Alsof ze daar al jaren staan te wachten tot iemand eindelijk eens écht goed komt kijken …

Bij die verrekijker hoort natuurlijk een opstapje voor de kleinere bezoekers. Op de zijkant staat al jaren de tekst: ‘Dêr’t it lân de dyk omklammet’. Vrij vertaald: waar de dijk het land omarmt, zoals een moeder haar kind. Een mooie gedachte – en eerlijk is eerlijk – als je daar zo staat, snap je precies wat ermee bedoeld wordt. De dijk ligt als een beschermende arm om het dorp heen, onverstoorbaar en geruststellend …

Door de verrekijker kun je eindeloos turen over de Waddenzee en het land achter de dijk. Maar ook zonder hulpmiddelen valt er genoeg te zien. Onderaan de dijk staat nog altijd de oude peilschaal, onverstoorbaar het waterpeil bijhoudend, alsof er nooit iets verandert. En als je iets verder kijkt – een beetje tegen beter weten in – zie je daar toch weer dat gaswinningsplatform Ameland-Westgat 1** opduiken. Elf kilometer verderop, maar nadrukkelijk aanwezig. Op de derde is te zien dat het nog veel dichter bij Ameland staat, gevaarlijk dicht bij de Waddenzee …

Toen we boven kwamen, was Jetske meteen doorgelopen naar de schapen die iets verderop op de dijk stonden te grazen. Die trokken zich er weinig van aan. Gras is gras, uitzicht of geen uitzicht. Terwijl ik nog één keer over de dijk uitkeek, zag ik haar alweer terugkomen …

Voor mij was het wel genoeg geweest. Het bankje, de wind, het uitzicht – het had allemaal z’n werk gedaan. Het was weer een mooie dag. Ik had de zee opgesnoven en de verte gezien. Meer is eigenlijk niet nodig …

** ik hoop binnenkort nog eens terug te komen op de gaswinning

Een roze jasje in Wierum

We hadden nog mooi de tijd om een bezoekje aan Wierum te brengen. Dat is er in de loop der jaren eigenlijk een beetje ingeslopen: vanuit Peazens eerst nog even naar Wierum, en dan pas braaf richting huis. Het was er rustig toen we het Tsjerkeplein opdraaiden. Alleen dat roze kinderjasje midden op het plein viel op, en niet zo’n beetje ook. Intrigerend, op z’n zachtst gezegd. Als het van een dorpskind was, zou het vast wel weer opduiken bij de rechtmatige eigenaar. Maar stel je voor dat het van een kleine toerist was… die zou het straks toch best fris kunnen krijgen. Je gaat er vanzelf allerlei scenario’s bij verzinnen …

Terwijl ik achter Jetske aan liep richting de dijk, zag ik haar blauwe jack prachtig weerspiegeld in de ramen van de boerderij aan het Tsjerkeplein. Zo’n moment waarop je ineens denkt: wacht even! Ik kon nog net op tijd vragen of ze even wilde blijven staan voor een foto – wat meestal neerkomt op “nog één dan” – gevolgd door nog twee …

We passeerden de Mariatsjerke, met daarvoor het beeld van ‘De wjirmdolster’, die er zoals altijd onverstoorbaar bij staat. Daarna staken we de weg over om voor de derde keer die dag de dijk te beklimmen. Deze keer luxe: een trap in twee schuifjes. Halverwege wachtte het plateau met het Vissersmonument en de ankers – een plek waar je vanzelf even stil blijft staan – al is het maar om de benen even te laten rusten …

Morgen bekijken we de wereld hier vanaf de kruin van de dijk. Vandaag vond ik het wel mooi geweest — we moeten tenslotte ook iets overhouden om naar uit te kijken.