Eind april heb ik op een vrij donkere en kille dag weer eens een ritje door de omgeving gemaakt. Eerst heb ik even een kijkje genomen in de vogelkijkhut ‘de Blaustirns’ bij de Leijen. Daar blies de wind zo venijnig naar binnen, dat ik vrijwel meteen weer rechtsomkeert heb gemaakt. Daarna ben ik even doorgereden naar de vogelkijkhut in de Jan Durkspolder. Daar was de situatie niet veel beter, het voordeel was dat de luiken aan de windzijde waren gesloten, maar aan de lijzijde was er geen vogel te zien. Daar was ik dus ook snel uitgekeken …
uitzicht over de Leijenuitzicht over de Jan Durkspolder
Het gevolg was dat ik al snel weer in de auto zat. Met de kachel op ‘standje hoog’ om weer wat op te warmen, reed ik met een omweg huiswaarts. Onderweg werd mijn dag in fotografische zin alsnog goedgemaakt, omdat ik een sprong reeën tussen de pinksterbloemen trof …
Zodra ik ze zag, heb ik de auto rustig laten uitrollen in de berm. Nadat ik het raampje naar beneden laten glijden, kon het genieten die dag echt beginnen. Vooral deze kleine kluwen van vier reeën vond ik erg leuk ..
Een aantal jaren achtereen zaten er in de klimop langs de schutting en boven de pergola merels te broeden. Vorig jaar hebben ze boven de pergola zelfs twee nestjes groot gebracht. Dit jaar hebben ze kennelijk een ander plekje voor hun nest gezocht, vermoedelijk zitten ze bij de buurvrouw Negen in een struik …
Ik hoor ze ’s ochtends vroeg en tegen de avond gelukkig nog wel vrijwel dagelijks zingen. En ze zijn onze tuin ook nog niet vergeten. Ze scharrelen hier nog regelmatig tussen het gebladerte achter in de tuin, op zoek naar wormen of ander lekkers. Maar onze tuin is vooral nog altijd geliefd vanwege de mogelijkheden die er zijn om wat te drinken of een bad te nemen …
Pa en ma merel hebben daarbij een voorkeur voor de vijver, maar een jonge merel vond het houten vogelbad iets verderop veiliger of prettiger. En de mussen waren best bereid om even ruimte voor hem te maken. Eerlijk zullen we alles delen, zo doen we dat hier …
Het is dit voorjaar een stuk rustiger in de tuin dan in voorgaande jaren. Dat komt om te beginnen natuurlijk omdat ik er dit voorjaar tot nu toe minder geweest. Met uitzondering van enkele zonnige dagen vond ik het steeds te koud om even lekker op het terras te zitten. Maar ook afgezien daarvan lijkt het rustiger te zijn. De koolmezen zijn bijvoorbeeld wel af en toe wel even te zien bij het nestkastje, maar ik vraag me af of er wel kleine koolmeesjes zullen uitvliegen dit jaar …
De enige soort die zich vrijwel dagelijks met een tiental laat zien, zijn de huismussen. Vooral het badje en de pindakaas zijn favoriet bij de mussen. Zij lijken hun vaste veilige vluchtplekje in de hulst bij de buurvrouw dit jaar te zijn kwijtgeraakt aan een paar eksters, die zich daar ook regelmatig schetterend ophouden Ze zijn nu regelmatig gezellig tsjilpend in onze bamboe en de klimop te vinden …
Ook een paar pimpelmeesjes laten zich regelmatig even zien in de hazelaar. Of zij plannen hebben om te broeden en zo ja, waar ze dat dan doen, weet ik niet. Het is van dit drietal wel mijn favoriete soort …
Vandaag, 30 april is uitgeroepen tot ‘Dag van de Paardenbloem’. Daarom breng ik vandaag een ode aan de hynsteblom, oftewel de paardenbloem, zoals hij elders in den lande wordt genoemd. Wist je dat er alleen in Nederland al meer dan 1000 soorten paardenbloemen voorkomen!? Een bloeiend weiland schijnt al snel zo’n 50-60 soorten te bevatten, en ook in een gewone tuin komen vaak meerdere soorten voor. De onderstaande exemplaren heb ik onze tuin gefotografeerd. Omdat ik het mooie, maar zwaar ondergewaardeerde bloemen vind, mogen ze hier blijven staan …
Paardenbloemen zijn geen onkruid, maar mooie en nuttige bloemen. De paardenbloem is eigenlijk nummer één voor insecten. Ook voor de grutto en andere weidevogels is het daarom een erg belangrijke bloem. Als kuikens uit hun ei komen, moeten ze dagelijks duizenden insecten eten. Paardenbloemen zijn dan een bron van voedsel, alleen zijn ze uit helaas veel weilanden verdwenen …
Maar dat is niet het enige nut van de bloem. Hij kan ook nog worden gebruikt voor honing en thee. En van een bepaalde soort paardenbloem kan zelfs rubber worden gemaakt, die uiteindelijk terechtkomt in auto- en fietsbanden. Er wordt hard gewerkt aan het weken van zoveel mogelijk rubber in de paardenbloemen. Maar afgezien daarvan, ze kleuren in het voorjaar het Friese weidelandschap hier en daar zo prachtig geel. Dat zijn gezonde weilanden, terwijl op zwaar bemeste weilanden met alleen Engels raaigras geen bloem meer wil bloeien … ;-(
Ik sluit deze serie over Zwartewatersklooster af met een paar foto’s van een oeroude knotwilg, die tegenover de eerste boerderij uit 1860 staat. Er staat een foeilelijke transformatorkast naast om te laten zien hoe oud en nieuw elkaar ontmoeten in het pittoreske Zwartewatersklooster …
Hier en daar een foto makend, liepen we de buurtschap verder in. Behalve drie boerderijen staan er nog een paar huizen en losse schuren langs de straat. Het is moeilijk voor te stellen dat Zwartewatersklooster van 1233 tot 1590 een religieus centrum van betekenis was. Er woonden naar schatting tussen de 25 en dertig nonnen, maar ook timmerlieden, bierbrouwers en allerlei andere lieden die je in een dorpsgemeenschap vindt. Al met al woonden er in en rondom het complex rond de honderd personen. Tegenwoordig is dat nog maar een handjevol …
Eén van de tegenwoordige inwoners van Zwartewatersklooster is Johannes ten Klooster. Ten Klooster is geboren en getogen in de buurtschap en zijn familie heeft waarschijnlijk in het klooster gewoond. We troffen Ten Klooster toen we stonden te fotograferen bij zijn huis, terwijl hij in de tuin bezig was …
We groetten hem vriendelijk, waarna hij naar ons toe scharrelde. We vertelden hoe we hier terecht waren gekomen en staken onze bewondering voor de mooie oude boerderijen niet onder stoelen of banken. Met zijn schoffel naar de linde voor zijn huis wijzend, vertelde hij lachend over de schade aan zijn boom, die geregeld wordt geschampt door passerende voertuigen …
‘Deze boerderij is gebouwd in 1860, en hij is al vanaf het begin in de familie geweest. Je kunt op verschillende plaatsen in de muren nog originele stenen van het oude klooster zien. Eigenlijk woon ik nog steeds een beetje in het klooster’, vertelde Johannes. Hij vervolgde trots: ‘op onze begraafplaats worden al 785 jaar doden begraven. Er worden alleen mensen begraven die in een huis wonen, dat oorspronkelijk bij het klooster hoorde. Niemand heeft verder iets over die begraafplaats te vertellen, ook de gemeente niet. Wij gaan over onze eigen begraafplaats …’
Omdat het stilstaan na enige tijd niet alleen mij, maar ogenschijnlijk ook Ten Klooster moeite begon te kosten, namen we afscheid van deze vriendelijke verteller …
Terwijl ik later ter voorbereiding van deze blogserie informatie over Zwartewatersklooster verzamelde, kwam ik o.a. het onderstaande filmpje van RTV Oost uit april 2016 tegen. Tijdens de nog steeds voortgaande zoektocht naar de graven van de ridders doet Johannes ten Klooster bij zijn huis en op de begraafplaats ongeveer hetzelfde verhaal, dat hij ons vorige week vertelde …
En wil je nu nog meer mooie verhalen over deze parel van plattelandshistorie lezen, dan kan ik het volgende artikel aanbevelen. Hierin komt Johannes zijn broer Berend ten Hoor aan het woord: “Zwartewatersklooster is rustig, houen zo”
Na ons bezoek aan de vogelkijkhut volgden we de Zwartewaterkloosterweg in zuidelijke richting. Al snel reden we een kleine buurtschap in. Zwartewatersklooster (Google Maps) ligt op een verhoogde rug in het landschap, een oude oeverwal of rivierduin van het Zwarte Water tussen Hasselt en Zwartsluis. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat dit gebied waarschijnlijk al voor het begin van onze jaartelling bewoond was. Zodra we het plaatsnaambord gepasseerd waren, maakte de weg een bocht rond een kleine begraafplaats. We besloten eerst maar door te rijden, maar erg ver kwamen we niet …
Al snel kwamen we langs een oude boerderij uit 1860. Die moest toch wel even van dichtbij bekeken worden, en dus werd de auto in de berm geparkeerd. Deze en nog twee andere boerderijen zijn gebouwd uit de restanten van een klooster. Hoe dat zo gekomen is, is nog een heel verhaal …
In juli 1227 vond bij Ane (ongeveer 40 km ten oosten van Zwartewatersklooster) een veldslag plaats tussen een groot bisschoppelijk leger en een Drents leger van ridders en boeren. De Utrechtse bisschop Otto II van Lippe en meer dan 400 van zijn ridders en soldaten kwamen om het leven. Het verhaal gaat al eeuwen dat ca. 145 commandanten en ridders van dit leger in de nabijheid van Zwartewatersklooster zijn begraven. Het gehavende leger keerde terug vanuit Gramsbergen, achtervolgd door de Drenten. Omdat de lichamen niet in al te beste staat verkeerden, het was een hete zomer, werden ze waarschijnlijk op een rivierduin, bij wat later Zwartewatersklooster zou worden, begraven. De precieze plek is niet bekend. Maar dat het hier ergens is, staat op basis van verschillende oude kronieken vast …
Om te bidden voor het zielenheil van de omgekomen ridders werd in de jaren 1227-1233 een voorlopige voorziening getroffen. Mogelijk werd er een kleine kapel gebouwd voor een priester en een huis met enkele vrouwen uit de families van de gedode mannen. In 1233 bevestigde Wilbrand van Oldenburg als bisschop van Utrecht dit initiatief. Het werd een Benedictijner vrouwenklooster Mariënberg, met zo’n 20 zusters, onder leiding van een priorin. De eerste economische basis voor het klooster lag in de tienden (een belasting van 1/10 van de jaarlijkse opbrengst) die het kreeg uit 14 ‘hoeven in het veen’. Dat waren percelen van 120 meter breed, waarop kolonisten bezig waren met de veenontginning, het verbouwen van rogge en het houden van vee …
Toen de Staten van Overijssel in 1580 de Reformatie doorvoerden, werd het klooster gesloten en verhuisden de laatste 13 nonnen naar het Mariaconvent in Hasselt. De bezittingen werden nog tot de Franse tijd (1800) beheerd door provinciale rentmeesters. De gebouwen raakten langzaam in verval. Stukken ervan waren als woning en stallen verhuurd aan enkele boerenfamilies. Regelmatig werden er stenen en balken verkocht of meegenomen om elders mee te bouwen. De laatste restanten van het klooster werden in de jaren 1780-1800 gesloopt. In 1786 liet de rentmeester van bouwmateriaal van het klooster drie nieuwe boerderijen bouwen die nog steeds de kern van de buurtschap vormen …