De dag na de fotosessie met de ringslangen op de Delleboersterheide heb ik in alle rust in huis en tuin doorgebracht. De volgende dag stond er namelijk weer een pittige fotokuier op het programma. Ik had een Vlaamse medeblogger beloofd om op die dag te zullen ‘gidsen’ in de Ecokathedraal bij Mildam …
De tuin lag er oogstrelend bij en de huismussen zorgden met hun gekwetter rond de pot met pindakaas en in de voederhoek bij de hazelaar voor de nodige gezelligheid. Kortom: het was een prima dagje …
Na de passage van de tweede ringslang was het tijd om wat aandacht te schenken aan de inwendige mens. Een stukje koek ging er goed in daar aan die spiegelgladde waterkant …
Intussen was er een levendbarende hagedis het vlonderpad opgekropen. Hij had kennelijk een fijn warm plekje gevonden, want hij liet zich door geen enkele passerende fotograaf verjagen …
Terwijl ik me bezig hield met de hagedis, Jetske speurde het lange gras naast het plateau af. Daar had ze de vorige keer zowel zonnende als parende ringslangen gezien …
Onder het motto ‘goed voorbeeld, doet goed volgen’ liet ik mijn blik ook verschillende keren over en tussen het lange gras dwalen. Voor mij waren er geen parende ringslangen weggelegd, ik kon er kop noch staart aan ontdekken. Maar je kunt zo wel mooi zien dat ze verschillende kleuren hebben …
Met het oog op de Nationale Dodenherdenking op 4 mei hebben mijn fotomaatje Jetske en ik in april een bezoek gebracht aan het monument en de restanten het strafkamp ‘It Petgat’ bij Blesdijke, op de grens van Fryslân en Overijssel. Het kamp, dat door de Nederlandse regering van origine was aangelegd in het kader van de werkverschaffing, lag in een moerassig gebied vlak bij het riviertje De Linde. Vanaf de weg loopt een lang zandpad naar het kamp …
Aan de Nijksweg (Google Maps) staat nu een monument, bestaande uit twee palen, die lijken op te rijzen uit een Davidster van straatstenen. Tussen de palen hangt een glazen plaat waar prikkeldraad en een gedicht van Jacqueline van der Waals en de geschiedenis van het kamp in gegraveerd zijn:
‘GEEF MIJ DE MOED OM ONRECHT TE ONDERKENNEN OOK WAAR ‘T DOOR EEUWEN VAN GEBRUIK GEWETTIGD WORDT, DE VASTE WIL AAN ONRECHT NOOIT TE WENNEN, OOK WAAR DE MACHT, HET WEG TE NEMEN, SCHORT.’
‘VANAF BEGIN 1942 -TIJDENS DE TWEEDE WERELDOORLOG- WERDEN JOODSE LANDGENOTEN IN WERKKAMPEN ONDERGEBRACHT OM DWANGARBEID TE VERRICHTEN. OP 2 OKTOBER VAN DATZELFDE JAAR WERDEN ZIJ ALLEN NAAR KAMP WESTERBORK EN VAN DAAR NAAR DUITSE VERNIETIGINGSKAMPEN GEDEPORTEERD. SLECHTS WEINIGEN KEERDEN TERUG.’
Aan de voet van de palen staan een paar klompen, geflankeerd door een paar beschilderde kiezelstenen …
Aan het begin van het 400 meter lange pad naar het kamp staat een bord met daarop een foto van de onthulling van het monument door Sjaak Stibbe in 2003. Stibbe was één van de weinige inwoners van het kamp die niet in de gaskamers zijn geëindigd …
Het was een flinke kuier, maar we bereikten het kamp (Google Maps) toch nog vrij gemakkelijk. Van het kamp is overigens niet veel meer over dan de resten van de fundamenten, waarop de barakken en andere bouwwerken rustten. Het is een wonder dat deze restanten de ruilverkaveling overleefd hebben, maar geen enkele boer zag er brood in om de fundamenten uit de bodem te halen om het daarna bij zijn land te trekken. We hebben er een tijdlang stilletjes rond gestapt …
De bezetter maakte gebruik van een infrastructuur die er al lag. In de jaren dertig had de Nederlandse regering kampen laten bouwen in het kader van de werkverschaffing. Om ophef te voorkomen, deed de bezetter er alles aan om het samendrijven van joodse mannen op iets soortgelijks te laten lijken. De mannen moesten heide omspitten of wegen aanleggen onder leiding van dezelfde organisatie als voor de oorlog: de Rijksdienst voor de Werkverruiming. Het toezicht op het werk was in handen van de Nederlandsche Heidemaatschappij en ook in het kamp zelf hadden Nederlanders het voor het zeggen. Er werd voor het kamp extra bewaking ingesteld. Een groep Nederlandse mariniers en marechaussees nam die taak op zich. De leiding van het kamp kwam op 10 juni 1942 in handen van sergeant marinier Christiaan Overweg …
Er verbleven 150-200 gestrafte joodse dwangarbeiders tussen 18 en 65 jaar in het kamp. Sjaak Stibbe behoorde tot de eerste gestraften. Wegens het nemen van ongeoorloofd verlof werd hij na terugkeer door de commandant van Kamp Kremboong in Drenthe naar It Petgat gestuurd. “De ontvangst in Blesdijke was strenger dan in Kremboong. Commandant Overweg begon meteen dreigen. Als we nou weer de benen namen, kwamen we in Ommen of Amersfoort terecht en dan was het met ons gebeurd,” vertelde Stibbe later. “En er was meer intimidatie. Op de zondag daarna gaven de wachten een demonstratie met de honden. De demonstratie vond plaats op een veldje in het kamp. De mannen hadden leren handschoenen aan en dan die honden maar bijten. Het boezemde ontzag in. Dat was ook de bedoeling …”
Het Blesdijker werkkamp heeft maar vier maanden bestaan. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 (tijdens Jom Kipoer) moesten de mannen van alle vijftig kampen – veelal gelegen op afgelegen plekken in het noorden en oosten van ons land – halsoverkop weg. Op hetzelfde moment werden hun vrouwen en kinderen uit huis gehaald. Zo belandden in één nacht ruim tienduizend joden in Westerbork. Volgens Duitse voorlichting was het doel hiervan om de gezinnen weer te herenigen. Vervolgens werden zij omgebracht in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor …
Ik sluit het beeldverslag van ons bezoek aan Strafkamp ‘It Petgat’ af met een foto die op één van de infopanelen in het voormalig kamp staat. We zien 14 jonge mannen, lachend staan en zitten ze voor een kampbarak, alsof ze op een reisje of op vakantie zijn. Ze lijken geen idee te hebben wat hen boven het hoofd hangt …
Een aantal jaren achtereen zaten er in de klimop langs de schutting en boven de pergola merels te broeden. Vorig jaar hebben ze boven de pergola zelfs twee nestjes groot gebracht. Dit jaar hebben ze kennelijk een ander plekje voor hun nest gezocht, vermoedelijk zitten ze bij de buurvrouw Negen in een struik …
Ik hoor ze ’s ochtends vroeg en tegen de avond gelukkig nog wel vrijwel dagelijks zingen. En ze zijn onze tuin ook nog niet vergeten. Ze scharrelen hier nog regelmatig tussen het gebladerte achter in de tuin, op zoek naar wormen of ander lekkers. Maar onze tuin is vooral nog altijd geliefd vanwege de mogelijkheden die er zijn om wat te drinken of een bad te nemen …
Pa en ma merel hebben daarbij een voorkeur voor de vijver, maar een jonge merel vond het houten vogelbad iets verderop veiliger of prettiger. En de mussen waren best bereid om even ruimte voor hem te maken. Eerlijk zullen we alles delen, zo doen we dat hier …
Het is dit voorjaar een stuk rustiger in de tuin dan in voorgaande jaren. Dat komt om te beginnen natuurlijk omdat ik er dit voorjaar tot nu toe minder geweest. Met uitzondering van enkele zonnige dagen vond ik het steeds te koud om even lekker op het terras te zitten. Maar ook afgezien daarvan lijkt het rustiger te zijn. De koolmezen zijn bijvoorbeeld wel af en toe wel even te zien bij het nestkastje, maar ik vraag me af of er wel kleine koolmeesjes zullen uitvliegen dit jaar …
De enige soort die zich vrijwel dagelijks met een tiental laat zien, zijn de huismussen. Vooral het badje en de pindakaas zijn favoriet bij de mussen. Zij lijken hun vaste veilige vluchtplekje in de hulst bij de buurvrouw dit jaar te zijn kwijtgeraakt aan een paar eksters, die zich daar ook regelmatig schetterend ophouden Ze zijn nu regelmatig gezellig tsjilpend in onze bamboe en de klimop te vinden …
Ook een paar pimpelmeesjes laten zich regelmatig even zien in de hazelaar. Of zij plannen hebben om te broeden en zo ja, waar ze dat dan doen, weet ik niet. Het is van dit drietal wel mijn favoriete soort …
Vandaag, 30 april is uitgeroepen tot ‘Dag van de Paardenbloem’. Daarom breng ik vandaag een ode aan de hynsteblom, oftewel de paardenbloem, zoals hij elders in den lande wordt genoemd. Wist je dat er alleen in Nederland al meer dan 1000 soorten paardenbloemen voorkomen!? Een bloeiend weiland schijnt al snel zo’n 50-60 soorten te bevatten, en ook in een gewone tuin komen vaak meerdere soorten voor. De onderstaande exemplaren heb ik onze tuin gefotografeerd. Omdat ik het mooie, maar zwaar ondergewaardeerde bloemen vind, mogen ze hier blijven staan …
Paardenbloemen zijn geen onkruid, maar mooie en nuttige bloemen. De paardenbloem is eigenlijk nummer één voor insecten. Ook voor de grutto en andere weidevogels is het daarom een erg belangrijke bloem. Als kuikens uit hun ei komen, moeten ze dagelijks duizenden insecten eten. Paardenbloemen zijn dan een bron van voedsel, alleen zijn ze uit helaas veel weilanden verdwenen …
Maar dat is niet het enige nut van de bloem. Hij kan ook nog worden gebruikt voor honing en thee. En van een bepaalde soort paardenbloem kan zelfs rubber worden gemaakt, die uiteindelijk terechtkomt in auto- en fietsbanden. Er wordt hard gewerkt aan het weken van zoveel mogelijk rubber in de paardenbloemen. Maar afgezien daarvan, ze kleuren in het voorjaar het Friese weidelandschap hier en daar zo prachtig geel. Dat zijn gezonde weilanden, terwijl op zwaar bemeste weilanden met alleen Engels raaigras geen bloem meer wil bloeien … ;-(
Hier en daar een foto makend, liepen we de buurtschap verder in. Behalve drie boerderijen staan er nog een paar huizen en losse schuren langs de straat. Het is moeilijk voor te stellen dat Zwartewatersklooster van 1233 tot 1590 een religieus centrum van betekenis was. Er woonden naar schatting tussen de 25 en dertig nonnen, maar ook timmerlieden, bierbrouwers en allerlei andere lieden die je in een dorpsgemeenschap vindt. Al met al woonden er in en rondom het complex rond de honderd personen. Tegenwoordig is dat nog maar een handjevol …
Eén van de tegenwoordige inwoners van Zwartewatersklooster is Johannes ten Klooster. Ten Klooster is geboren en getogen in de buurtschap en zijn familie heeft waarschijnlijk in het klooster gewoond. We troffen Ten Klooster toen we stonden te fotograferen bij zijn huis, terwijl hij in de tuin bezig was …
We groetten hem vriendelijk, waarna hij naar ons toe scharrelde. We vertelden hoe we hier terecht waren gekomen en staken onze bewondering voor de mooie oude boerderijen niet onder stoelen of banken. Met zijn schoffel naar de linde voor zijn huis wijzend, vertelde hij lachend over de schade aan zijn boom, die geregeld wordt geschampt door passerende voertuigen …
‘Deze boerderij is gebouwd in 1860, en hij is al vanaf het begin in de familie geweest. Je kunt op verschillende plaatsen in de muren nog originele stenen van het oude klooster zien. Eigenlijk woon ik nog steeds een beetje in het klooster’, vertelde Johannes. Hij vervolgde trots: ‘op onze begraafplaats worden al 785 jaar doden begraven. Er worden alleen mensen begraven die in een huis wonen, dat oorspronkelijk bij het klooster hoorde. Niemand heeft verder iets over die begraafplaats te vertellen, ook de gemeente niet. Wij gaan over onze eigen begraafplaats …’
Omdat het stilstaan na enige tijd niet alleen mij, maar ogenschijnlijk ook Ten Klooster moeite begon te kosten, namen we afscheid van deze vriendelijke verteller …
Terwijl ik later ter voorbereiding van deze blogserie informatie over Zwartewatersklooster verzamelde, kwam ik o.a. het onderstaande filmpje van RTV Oost uit april 2016 tegen. Tijdens de nog steeds voortgaande zoektocht naar de graven van de ridders doet Johannes ten Klooster bij zijn huis en op de begraafplaats ongeveer hetzelfde verhaal, dat hij ons vorige week vertelde …
En wil je nu nog meer mooie verhalen over deze parel van plattelandshistorie lezen, dan kan ik het volgende artikel aanbevelen. Hierin komt Johannes zijn broer Berend ten Hoor aan het woord: “Zwartewatersklooster is rustig, houen zo”