Op zoek naar de koninginnepage

Vorige week donderdag had ik weer een afspraak met mijn fotomaatje. Dat trof niet echt geweldig goed, want ik had die ochtend meteen al last van weigerachtige onderdanen. Omdat ik dan liever niet een hele dag met de auto op pad ga, bood Aafje heel lief aan om me te brengen. Jetske zou me aan het eind van de dag weer netjes thuis brengen, zo werd afgesproken. En zo had de dag al nauwelijks beter kunnen beginnen …

Het vervolg werd zo mogelijk nog mooier, toen Jetske me meenam voor een ritje naar het bezoekerscentrum De Wieden in Sint Jansklooster. Daar hadden we in het verleden al eens een paar flinke fotokuiers gemaakt, maar dat was nu niet nodig, zo beloofde Jetske me …

We gingen er ook niet zomaar naar toe, Jetske had er een week eerder de koninginnepage gefotografeerd en die kans wilde ze mij ook graag geven …

Zelf vond Jetske het duidelijk ook niet erg om die kleurige verschijning nog eens uitvoerig te fotograferen. Hier is ze geconcentreerd aan het werk met de 70-200 mm lens op haar camera …

Hoe het ook zij, Jetske maakte haar belofte ten volle waar. Na een kuiertje van amper vijf minuten stonden we bij een grote vlinderstruik waar we de koninginnepage in volle glorie konden bewonderen …

En we hadden geluk. Omdat we er mooi op tijd waren, was het er nog rustig. Dat bood ons alle tijd en gelegenheid om die mooie grote, steeds verder naar het noorden oprukkende vlinder te bekijken en te fotograferen …

Tot nu toe kende ik hem alleen van foto’s op internet, maar wat is dat een prachtige vlinder! En er vlogen zelfs minstens drie stuks rond. Ik raakte niet uitgekeken en uitgekiekt, daarom morgen meer …

  • wordt vervolgd

Krabbenscheer als beton

We waren gebleven bij Jetske, die een kleine opening in het rietkraagje had gevonden. Voorzichtig op de afbrokkelende walkant steunend, maakte ze een aantal foto’s van het petgat …

In het petgat staat daar een aantal kooien en manden met daarin verschillende hoeveelheden krabbenscheer. Met deze opstelling wordt onderzoek gedaan naar mogelijkheden om verlanding in het gebied te stimuleren. Dat vraagt om enige nadere uitleg …

De Deelen is een laagveenmoerasgebied dat is ontstaan door de turfwinning, die daar een eeuw geleden begon. De afgegraven stroken liepen vol water – de petgaten – en daartussen liet men stroken grond droog. Op deze droge stroken, de legakkers of stripen, zoals we in Fryslân zeggen, werd de afgestoken turf te drogen gelegd …

Het is nog steeds een nat gebied, maar dat is niet meer te danken aan het oorspronkelijke grondwater en het water is slechter van kwaliteit. Door intensieve landbouw in de omringende gebieden, die gepaard gaat met diepontwatering, is De Deelen hoger komen te liggen waardoor het grondwater wegloopt. Er wordt nu water ingepompt vanuit een naburige zandwinning en als dat niet voldoende is vanuit het oppervlaktewater in de rest van Friesland. Daarmee wordt de waterkwaliteit langzaam maar zeker weer wat beter. Maar daarmee is De Deelen nog niet gered …

Na het stoppen van de vervening kregen weer en wind geleidelijk meer grip op het water. Door stormen kalfden de legakkers steeds verder af. Op sommige plekken zijn ze zelfs helemaal weggeslagen. Als dit proces geen halt wordt toegeroepen, dan heeft Fryslân er op den duur weer een groot meer bij en dat is niet de bedoeling …

Om verlanding in het gebied op een natuurlijke manier te stimuleren, wil men gebruik maken van krabbenscheer. Hier is een proef bezig om dat krabbenscheer een voorsprong te geven. Krabbenscheer is het beton van nieuw veen. Het groeit snel, maakt veel biomassa en legt ook nog eens CO2 vast. Als het krabbenscheer een dikke plak maakt en in de winter boven water blijft, krijgen andere planten als lisdodde, riet en gele plomp een kans: het begin van het verlanden …

Het hele verhaal werd onlangs op een mooie en aanschouwelijke manier uit de doeken gedaan in het natuurprogramma ‘Vroege vogels’. Een 8 minuten durende aanrader: ‘De Deelen verdwijnt’.

  • wordt vervolgd

Rust bij de Kapellepôle

Tegen het eind van het schooljaar zijn het drukke tijden voor mijn fotomaatje, daarom besloten we onze gezamenlijke fotokuier maar eens op zaterdag te maken. We besloten te beginnen bij de Kapellepôle. In dit kleine natuurgebiedje wemelde het in deze tijd van het jaar bij eerdere bezoekjes altijd van de waterjuffers, libellen, vlinders en wat dies meer zij …

De teleurstelling was dan ook groot, toen we rond 14:00 uur na een kort, maar pittig kuiertje over de heide en door een bosschage, bij het kleine vennetje een bijna doodse stilte aantroffen. Het aantal libellen dat er rondvloog was op één hand te tellen en het aantal juffers op twee. Ook bijen en andere insecten vlogen er maar weinig rond. Eigenlijk was alleen het aantal mieren op één plekje verontrustend groot …

Meer dan een waterjuffer, een bij en een vlieg, die zijn rechter voorpoot miste, heb ik niet voor de lens gekregen. Kan het te maken hebben met het drukkend warme weer op dat moment? Of gaat het ineens zo bar slecht met het leefklimaat op de Kapellepôle?

Hoe dan ook, Jetske en ik besloten al snel om een ander en koeler plekje op te zoeken …

Ecokathedrale fotokuier 27

Al een paar jaar geleden had ik de zus van mijn fotomaatje beloofd haar eens kennis te laten maken met de Ecokathedraal. Gezondheidsproblemen stonden dat echter lange tijd in de weg. Mijn fotomaatje stelde op een goeie dag voor om er maar eens met zijn drieën een fotokuier te maken. En zo geschiedde het, dat ik er in die zonnige oktobermaand tweemaal achtereen een fotoserie heb gemaakt …

Camerabewaking bij de Linde

Nadat we op de eerste locatie geen ijsvogel hadden gezien, reden we naar het riviertje de Linde. Daar is een plekje waar Jetske vorig jaar meerdere keren een ijsvogel op de gevoelige plaat heeft vastgelegd …

We kwamen uit bij een bruggetje over een oude sluis in de Linde. Vanaf het bruggetje gezien staat er op de linkeroever een mooi bosschage. Op de rechteroever stond een bosje struikgewas dat onlangs om de een of andere reden is verwijderd …

Terwijl Jetske op de rechteroever neerknielde om wat foto’s te maken van de plek waar eerder die struiken stonden, vroeg ze zich af waarom er sinds kort camerabewaking is op die plek. Voor de ijsvogel zal het niet zijn …

Enkele honderden meters verderop is ineens een boorinstallatie verrezen. Sinds de gaswinning in Groningen wordt afgebouwd, wordt hier in Fryslân en de Kop van Overijssel het ene na het andere kleine gasveld (opnieuw) aangeboord om maar zoveel mogelijk gas uit de bodem te halen. En dan staat er dus ineens weer zo’n vervuilend en lawaai veroorzakend gevaarte midden in de natuur. Zo gaat dat bij ons in Fryslân en Overijssel tegenwoordig …

En de burger heeft er niks over te zeggen. Maar vandaag en morgen kunnen we ook deze gekkigheid proberen bij te sturen door een verstandige stem uit te brengen op een progressieve partij …

De ijsvogel liet zich ook hier die dag overigens niet meer zien. Of hij slachtoffer is geworden van de winter, van het verdwijnen van zijn bosje op de rechteroever of van die boorinstallatie, we zullen het nooit weten. Om de gedachten wat te verzetten, heb ik me ter plekke nog maar even uitgeleefd op het al behoorlijk afgeleefde remmingswerk bij de oude sluis …

Ik heb de hoop om toch nog eens een ijsvogel te fotograferen natuurlijk nog niet opgegeven. Eens komt de dag …

IJs en sneeuw bij de Leijen

Voor de derde tussenstop tijdens onze winterse rondrit door de gemeente waren Jetske en ik naar de Leijen gereden. Veel schaatsers verwachtte ik daar niet te zien, maar we gingen er vooral voor het landschap naar toe …

vogelkijkhut 'de Blaustirns'

Het rietveld achter de kijkhut was al vroeg in het jaar gemaaid door de rietsnijders. In verte waren de bossen riet te zien. De paar bomen die in het rietveld staan, hadden een warm en sierlijk rietkraagje gehouden. In de nog bijna maagdelijke sneeuwlaag waren verschillende sporen te zien …

Al voordat we de hut betraden, nam ik door een kijkluik in de wand naast het vlonderpad een kijkje naar de sneeuwvlakte op het meertje …

In de richting van Oostermeer stond een koek & zopie tent op het ijs, ook waren er kleine groepjes schaatsers te zien. Twee wandelaars kwamen met iets meer tussenruimte dan de roemruchte anderhalve meter onze kant op …

Voor de hut deinden enkele volle rietpluimen zachtjes heen en weer in de wind …

Bij het verlaten van de vogelkijkhut ‘Blaustirns’ viel mijn oog nog op een winterse verrassing. Aan de achterkant van de hut hadden wind, water, sneeuw en vorst samen een soort van spiraalvormige witte ‘stalagmieten gevormd …

Terwijl ik me met het ijs bezighield, stond Jetske een paar meter verderop te genieten van de zon, die in de luwte van de wand al lekker warm aanvoelde …

– wordt vervolgd –

Klunen in de Jan Durkspolder

Vanaf de Headammen reden Jetske en ik een paar kilometers noordwaarts om te bekijken of er in de Jan Durkspolder ook iets van ijspret te zien viel. Dat viel niet tegen …

De ijsvlakte rond de grote vogelkijkhut lag er stil en verlaten bij. Normaal gesproken wordt hier door de IJsclub Lyts Begjin een baan uitgezet en worden er kluunbruggen gebouwd waar schaatsers de sloten en de weg tussen beide ijsvlakten veilig kunnen oversteken. De fundamenten van één van de kluunbruggen kun je op de meest rechtse foto hieronder zien …

Hoe ze het gedaan hebben, weet ik niet, maar nu er geen baan op de ijsvlakte was uitgezet, kwamen er schaatsers over het sneeuwijs in de sloot op de onderstaande foto deze kant op …

Daar moest bij gebrek aan tapijt op de weg op alternatieve manier gekluund worden. Terwijl Jetske en ik het groepje van beide kanten in beeld namen, zakte een schone blondine die de beschermhoezen van haar schaatsen niet bij zich had, vlak voor me door de knieën.
“Ga je me eindelijk een aanzoek doen …?” vroeg ik lachend. Dat bleek niet de bedoeling te zijn, lachend kroop ze naar de overkant van de weg, waar ze op haar vrienden wachtte …

Maar er waren meer schaatsers die van zuid naar noord wilden oversteken. De jongedame op de foto hieronder liet haar metgezellen verder schaatsen, terwijl ze zelf aanstalten maakte om over te steken …

Ze besloot eerst nog een stukje door de berm te lopen, daarna maakte ze de oversteek op een wel heel bijzondere manier. Alsof ze nooit anders had gedaan, kloste ze zo met het metaal van haar schaatsen over het ruwe asfalt.
“Wat tochtst, moarn taait it dochs …?” (“Wat dacht je, morgen dooit het toch …?”) riep ik haar na. Lachend ging ze aan de andere kant op in de drukte …

Na een laatste blik over de noordelijke ijsvlakte, stelde ik Jetske voor om nog even bij de Leijen te kijken …

– wordt vervolgd –